ICSI- CFO
Home Up Synopsis Contact CONTENTS SEARCH FEEDBACK 

 

Lange termijn uitkomst van ICSI

Echte lange termijn gevolgen van ICSI zijn uiteraard nog niet bekend: het oudste ICSI kind is inmiddels nog maar 14 jaar (1992) . Wel zijn er een aantal studies gaande waarbij gekeken wordt naar de latere gevolgen van ICSI. Sommige aandoeningen worden niet direct na de geboorte ontdekt, maar pas enige tijd later, en vandaar dat het belangrijk is dat de kinderen ook worden vervolgd.

De ICSI- CFO studie (Child and Family Outcomes) is een studie, gesubsidieerd door de EU1 waarbij meer dan vijfhonderd kinderen in meerdere centra in vijf landen (België, Engeland, Denemarken, Zweden en Griekenland) de kinderen langere tijd worden vervolgd. Het gaat daarbij om medische aspecten maar ook om een aantal andere aspecten zoals cognitieve ontwikkeling, coördinatie, gevoelens van kinderen en ouders over en weer. Het ICSI cohort (535) wordt vergeleken met een groep IVF kinderen (440) en een controlegroep (537) kinderen na natuurlijke bevruchting2.

Zowel qua cognitieve als motorische ontwikkeling waren er geen verschillen.  De verbale ontwikkeling zowel als het IQ waren gelijk in alle groepen3. ICSI ouders blijken sterker gemotiveerd voor het gezin en spannen zich meer in voor de opvoeding, waarmee ze het werk duidelijker op de tweede plaats zetten4. Er is minder vijandigheid en onverschilligheid in vergelijking met natuurlijke zwangerschappen4.

Het percentage grote neonatale afwijkingen in de drie groepen is gelijk, tussen 2 en 3 % maar tot vijf jaar ontstaan er wel verschillen: na natuurlijke zwangerschappen komt er 0,4 % bij, maar na ICSI 2,9 % extra, waarmee het totaal aantal aangeboren afwijkingen  na vijf jaar bij ICSI op 6,2 % komt5. Dit blijken vooral genitale (2,1 %) en urologische (1,7%) afwijkingen te zijn. Enkele voorbeelden zijn: hypospadie, cryptorchisme (niet indalen van de zaadballen), hydrocele en urethrastenose, en het blijkt eigenlijk alleen bij jongens voor te komen. (8,2 % bij jongens, 3,6 % bij meisjes). Het blijkt echter dat het niet aan de techniek als zodanig ligt, maar aan de groep die voor deze techniek in aanmerking komt: de vaders van de kinderen hadden als kind meestal ook eenzelfde probleem gehad. 

ICSI vaders dienen zich dan ook bewust te zijn dat de kans groter is dat hun zonen dezelfde problemen kunnen krijgen die zij zelf als kind gehad hebben. Maar in feite is het een oneigenlijke keuze: de keuze tussen géén kind of een kind waar misschien iets mee is.

Referenties:

1 European Union Qol 5th framework programme

2 Loft A, An International Collaborative Study of ICSI - 5 year olds, Child and Family Outcomes. Hum Reprod 2003; 18S: 97.

3 Ponjaert- Kristoffersen I, International collaborative study of ICSI- child and family outcomes- Cognitive and neurodevelopmental outcome. Hum Reprod 2003; 18S: 97.

4 Barnes J et al. International collaborative study of ICSI- child and family outcomes- Family functioning and socio-emotional development. Hum Reprod 2003; 18S: 97.

5 Bonduelle M. International collaborative study of ICSI- child and family outcomes- Paediatric assessment- malformations in the children. Hum reprod. 2003; 18S: 97

6 Sutcliffe A et al. International collaborative study of ICSI- child and family outcomes- physical development at 5 years. Hum. Reprod. 2003; 18: 97-8

Voorburg, CAM Jansen, 26 aug 2003

 

Please send mail to keesj@rdgg.nl with questions or comments about this Web- Site

Disclaimer:This information is not intended as a substitute for medical advice of physicians. The reader should regularly consult a physician in matters relating to his or her health and particularly with respect to any symptoms that may require diagnosis or medical attention.

© Stichting Medische Voortplanting Voorburg. This material is copyright protected; improper or unauthorized use is an infringement of copyright-laws and is an actionable offense. Original information from this Web-site can only be used if the source is clearly cited.