|
Wie was Reinier de Graaf?
Reinier de Graaf was een van de pioniers van de wetenschap van de
voortplantingsgeneeskunde. Hij leefde van 1641 tot 1673, en hij was als arts werkzaam te
Delft. Hij was het die de follikels beschreef, die hij 'kleine bollekens' noemde, en hij
realiseerde zich dat deze follikels het 'ovum', de eicel, bevatte. Hij heeft de
oöcyt zelf
echter nooit gezien, doch hij heeft de aanwezigheid daarvan gededuceerd uit de observatie
van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.
Hij besefte ook, in navolging van- of samen met- de Deen Nicolaos
Stensen (Steno), vele andere aspecten: de functie van de eileider, de
reis van het ovum (eicel) vanaf de eierstok (ovarium) naar de baarmoeder (uterus). en de
invloed van een verstopte eileider (hydrosalpinx) op de vruchtbaarheid.
Het bestaan van zaadcellen en daarmee de rol van de man werd pas na zijn dood
ontdekt door de Amsterdamse student Johannes Ham met behulp van de microscoop, die
uitgevonden was door Reinier's vriend Antonie van Leeuwenhoek. Meestal krijgt
Antonie de
eer van de ontdekking van zaadcellen, omdat hij deze beschreef in zijn brieven naar de
Royal Society.
Reinier de Graaf heeft in zijn korte leven een fundamenteel en blijvend
aandeel gehad in de verdieping van de kennis van de voortplantingsgeneeskunde, iets
waarvoor wij hem dankbaar moeten zijn.
Ondanks de internationale erkenning die hem als gevolg van zijn publicaties
(monografen en letters naar de Royal Society) ten deel viel werd hij vanwege zijn
katholieke geloof afgewezen als opvolger van de Leidse hoogleraar De Boë Sylvius, die in 1672
overleed.
Zijn vroege dood een jaar later, op 32 jarige leeftijd, was tragisch. Hij was
verwikkeld in een pennenstrijd met zijn vroegere vriend Jan
Swammerdam, die hem valselijk
beschuldigde van plagiaat; een Diekstra- affaire avant-la-lettre,
hetgeen hem bijzonder heeft aangeslagen. Tot overmaat van ramp overleed in dezelfde periode in april 1673 ook zijn
enige kind, een zoon, ruim twee weken na de geboorte *.
Hoewel de oorzaak van zijn dood, vier maanden later, in augustus 1673 officieel
onbekend is, schreven zijn tijdgenoten zijn dood toe aan de 'cholerische' omstandigheden
waarin hij op dat moment was beland. Het was in die tijd (net als overigens- in mindere
mate- in
onze tijd) om religieuze en socio-culturele redenen niet gebruikelijk om openlijk over
bewuste beëindiging van het eigen leven te spreken.
Toch wekt de geheimzinnigheid die zijn
dood omgeeft, de suggestie dat dit plaatsvond. Zij die hem na stonden
speculeerden niet over de oorzaak van zijn dood; het was alsof ze wisten wat die
oorzaak was. Speculaties over de oorzaak begonnen pas veel later met geschiedschrijvers,
die er geen verklaring voor hadden. Zijn tijdgenoten stelden wel dat hij de zin
om te leven had verloren.
* Pas enige tijd na zijn dood werd zijn tweede
zoon, Reinier II geboren. Deze heeft een lang leven gekend.
|