|
| |
1 Voorwoord.
2 Inleiding.
3 De geschiedenis van de IVF in
Voorburg.
4 Indicaties/ insluitcriteria
1 Voorwoord.
In-vitro fertilisatie (IVF) wordt op vele plaatsen in Nederland op grotere of kleinere
schaal toegepast. Het IVF-centrum van het Diaconessenhuis Voorburg behoort inmiddels tot
één van de grootste van Nederland. Sinds februari 1985 kan in het Diaconessenhuis
Voorburg een IVF-behandeling worden aangeboden. Aanvankelijk als "transport-IVF"
in nauwe samenwerking met de Erasmus Universiteit en het (aangrenzen-de) Academisch
Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt. In 1988 hebben behandelingen tevens in samenwerkingsverband
met het Academisch Ziekenhuis Leiden plaatsgevonden. Per 1 januari 1989 wordt de volledige
behandeling uitgevoerd in het eigen ziekenhuis, en is het laboratorium uitgegroeid tot
één der grootste, zowel op nationaal als internationaal niveau.
In de loop der jaren is het resultaat geleidelijk gestegen. De eerste 120 cycli in 1985 en
1986 hadden een zeer goed resultaat waarna een mindere periode volgde. 1989 en 1990 gaven
een geleidelijke verbetering te zien met bovendien een opmerkelijke consistentie:
verhoudingsgewijs weinig fluctuatie.
Uit de tijd van de "transport-IVF" (1985-1988) werden 128 kinderen geboren.
Van de 1129 eigen stimulatiecycli die in 1989 en 1990 werden gestart resulteerden er 273
in een klinische zwangerschap (in totaal 272 levende kinderen geboren). Daarnaast zijn uit
aanverwante behandelingen zoals cryo-cycli, IVF met gebruikmaking van donoreicellen,
ongestimuleerde cycli en satelliet cycli 19+ kinderen geboren.
2 Inleiding.
Het Diaconessenhuis Voorburg, een ziekenhuis met 237 bedden en ongeveer 500 medewerkers,
beschikt over een infertiliteitscentrum dat zich inmiddels tot de grootste van Nederland
mag rekenen. De hoofdmoot van de infertiliteitsbehandelingen bestaat uit in-vitro
fertilisatie (IVF) en embryo-transfer (ET), maar ook alle andere
onvruchtbaarheidsbehandelingen zijn mogelijk. Enkele voorbeelden zijn cyclusmonitoring,
ovulatie-inductie, intra-uteriene inseminatie (IUI) in zowel de spontane als de
gestimuleerde cyclus en tubachirurgie.
Om de resultaten van een IVF-kliniek te kunnen beoordelen moet de lezer van een
wetenschappelijk artikel of jaarverslag inzicht hebben in de leeftijdsopbouw en de
indicatieverdeling van de patiëntengroep. In het ziekenfondsraadonderzoek1 bleek het
succespercentage sterk afhankelijk te zijn van de indicatie: de percentages doorgaande
zwangerschap per gestarte cyclus bedroegen 11,4% in de groep met uitsluitend tubaire
pathologie, 5,8% in de groep waarbij sperma-afwijkingen (al dan niet in
combinatie met andere indicaties) bestonden, 8,2% in de groep met endometriose en 13,4% in
de groep met idiopathische infertiliteit (1). Het moge duidelijk zijn dat de
indicatiestelling van een individuele kliniek bepalend kan zijn voor het redelijkerwijs te
verwachten succespercentage.
Leeftijd van de vrouw en het percentage doorgaande zwangerschap per gestarte cyclus zijn
negatief gecorreleerd. Uit het ziekenfondsraadonderzoek bleek bij vrouwen onder de 30 jaar
13,5% van de gestarte cycli te resulteren in een doorgaande zwangerschap tegen 11,3% in de
groep 30 t/m 34 jaar, 8,1% in de groep 35 t/m 39 jaar en 3,9% in de groep vrouwen van 40
jaar en ouder (1).
Het is duidelijk dat leeftijdsverdeling en indicatiestelling essentieel zijn voor de
bereikte resultaten. Hierin dient dan ook een duidelijk inzicht te worden gegeven. In
sommige jaarverslagen ontbreken beide. Met name wanneer het gaat om kleine projecten met
minder dan 50 tot 100 cycli per jaar is niet na te gaan in hoeverre de resultaten worden
beïnvloed door selectie van patiënten. Zoals ook uit het onderstaande rapport blijkt
kunnen de resultaten sterk worden beïnvloed door selectief patiënten te accepteren voor
de behandeling. Ook wanneer een project slechts voor de locale patiëntenpopulatie is
bedoeld kan dit de resultaten sterk beïnvloeden.
Om een verantwoord oordeel over de resultaten te kunnen geven, zeker wanneer deze moeten
worden uitgesplitst naar indicatie en leeftijd moeten de projecten van voldoende grootte
zijn. Het heeft weinig zin te oordelen over hele kleine aantallen.
3 De geschiedenis van de IVF
in Voorburg.
Vanaf februari 1985 kan het Diaconessenhuis Voorburg een IVF-behandeling
aanbieden. Aanvankelijk was er sprake van "transport-IVF" waarbij de
ovulatie-inductie en follikelpunctie in Voorburg werden verricht, waarna de oöcyten door
de echtgenoot werden vervoerd naar het laboratorium. De eigenlijke in-vitro fertilisatie
vond plaats in het IVF-laboratorium van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de
embryo-transfer in het aangrenzende Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt (AZR). Toen,
ten gevolge van de hepatitis B-besmetting, het programma in Rotterdam gedurende enige
maanden moest worden onderbroken werd een samenwerking met het Academisch Ziekenhuis
Leiden (AZL) tot stand gebracht
In de loop der jaren werd duidelijk dat de regionale behoefte aanzienlijk groter
was dan de aanwezige behandelcapaciteit, en bleek het programma een zodanige grootte te
krijgen dat de rechtvaardiging voor het opzetten van een eigen laboratorium ontstond.
Sinds 1 januari 1989 vinden alle stappen van de IVF-behandeling in het
Diaconessenhuis plaats. Door het samenwerkingsverband met Prof.dr. G.H.Zeilmaker, die ook
als consulent aan ons centrum is verbonden verliep de overgang voor beide laboratoria
vlekkeloos, en door de reeds aanwezige expertise van het personeel was sprake van een
'vliegende' start. Ook de personeelswijzigingen in het Rotterdamse laboratorium verliepen
mede door de reeds bestaande samenwerking vrijwel probleemloos.
Het IVF programma in Voorburg is uitgegroeid tot één van de grootste en zeker het
succesvolste programma in Nederland. Ook mondiaal gezien behoort het programma tot de
twintig grootste ter wereld, indien gerekend wordt naar het totaal aantal gezonde,
levendgeboren kinderen.
IVF werd aanvankelijk alleen toegepast bij paren waarbij de infertiliteit het gevolg was
van een dubbelzijdige, inoperabele tuba-occlusie. Voor de follikelpunctie was in de
beginjaren een laparoscopie nodig, met algehele anaesthesie en hospitalisatie. Het
programma in Voorburg is vanaf februari 1985 gekenmerkt door een geheel poliklinische- of
dagbehandeling, met punctie middels echografie. Laparoscopische puncties zijn niet
uitgevoerd. Vanaf september 1985 werden puncties transvaginaal echoscopisch gecontroleerd
verricht. Voorburg heeft hiermee in Nederland aan de wieg van deze techniek gestaan, en in
Voorburg werd als eerste ter wereld de vaginale echografie ook toegepast voor de
follikelmonitoring en voor de diagnostiek in de jonge zwangerschap.
In de loop van de tijd is de techniek hiermee steeds minder belastend geworden. De
behandeling kan daardoor geheel poliklinisch worden verricht waardoor de belasting voor
het paar minder wordt.
4 Indicaties/insluitcriteria.;
zie ook pagina Indicaties voor IVF en ICSI voor meer details
Aanvankelijk was de IVF uitsluitend bedoeld als behandeling van onvruchtbaarheid ten
gevolge van onherstelbare tubapathologie. In dat geval is IVF ook de enige mogelijkheid
voor het echtpaar om tot zwangerschap te komen. Met het stijgen van de succespercentages
echter bleek dat IVF ook een goede behandeling kon zijn voor andere oorzaken van
onvruchtbaarheid, en inmiddels zijn een aantal indicaties algemeen aanvaard.
Naast paren met tubapathologie komen dan ook andere paren met onvervulde kinderwens in
aanmerking voor IVF. Niet alleen de oorzaak van de infertiliteit speelt een rol, maar ook
de duur van de kinderwens en de leeftijd van de vrouw.
Er moet sprake zijn van een stabiele man vrouw relatie. Een volledig screenend
fertiliteitsonderzoek (bestaande uit tenminste 3 maal een basale temperatuurcurve,
semenanalyse, post-coïtum test, hysterosalpingografie en/of diagnostische laparoscopie)
dient te zijn verricht. Naarmate de leeftijd van de vrouw stijgt nemen de kansen af, en
het is mede om deze reden noodzakelijk om een leeftijdsgrens te stellen. De vrouw mag bij
aanvang van de behandeling de leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt, met de
volgende uitzonderingen:.40- 42 onder strikte voorwaarden, 42-44 alleen in
uitzonderingsgevallen.
1 G.Haan, R.van Steen en F.Rutten: 'Evaluatie van in-vitro-fertilisatie, Vakgroep ekonomie
van de gezondheidszorg, Rijksuniversiteit Limburg. Gefinancierd door de Ziekenfondsraad.
2 Als de vrouw HBsAg positief is wordt donorserum gebruikt bij de bereiding van het
kweekmedium, als de man HBsAg positief is wordt geen semen gecryopreserveerd en als vrouw
of man HBsAg positief is worden de rest-embryo's niet gecryopreserveerd.
Uit: Jaarverslag IVF Voorburg 1989-1990
|