|
| |
  
Level 1
Level
2
Level
3
U i t l e g Level
3
U i t l e g
Het onderstaande rapport is geschreven voor artsen, als antwoord op
de bedenkingen die een aantal van hen hadden tegen deze nieuwe medische techniek.
Onderdelen ervan zijn gepubliceerd in het Medisch Journaal Delft. Het kan dan ook zijn dat
er termen in staan die niet voor iedereen begrijpelijk zijn
ICSI: EX MALIS ELIGERE? - dr. C.A.M. Jansen
Reinier de Graafgroep, Locatie Diaconessenhuis Voorburg
Inleiding
Naast de al bestaande 'kunstmatige voortplanting' middels IVF (In Vitro
fertilisatie) is
nu ook de 'kunstmatige bevruchting' middels ICSI Intra Cytoplasmatische Sperma
Injectie) gekomen. De techniek is ontwikkeld door dr Gian Piero Palermo aan de Vrije Universiteit te Brussel
(VUB)
en tot bekendheid gebracht door prof Devroey en prof van Steirteghem, die de eerste grote
series hebben laten verrichten . Inmiddels zijn er naar schatting meer dan
400.000 kinderen
na ICSI geboren. Voor deze techniek komen in aanmerking paren bij wie bevruchting
(vrijwel) onmogelijk is, hetzij door zaadafwijkingen, hetzij door afwijkingen aan de
eischil (zona pellucida). Waren deze paren voorheen slechts aangewezen op adoptie of
behandeling met donorzaad, nu komt ook voor hen de optie van genetisch eigen kinderen in
beeld. ICSI heeft echter ook een aantal potentiële nadelen. Het blijft dan ook
"kiezen uit kwaden" (ex malis eligere): kinderloosheid of het gebruik
van een techniek met een aantal nog onbekende risicos.
Het proces van fertilisatie
Bevruchting van de eicel is een uiterst gecompliceerd en ingenieus proces, waarvan wij nog
vele aspecten volstrekt onvoldoende doorgronden. Vlak voor de bevruchting heeft de eicel
een groot aantal zowel nucleaire als cytoplasmatische veranderingen ondergaan, als
voorbereiding op het moment van versmelting. De belangrijkste verandering ontstaat als
gevolg van de LH piek, die meestal ongeveer 36 - 42 uur voor de ovulatie optreedt.
Enkele maanden voor de geboorte van de vrouw zijn alle eicellen al
aangelegd.
Deze zijn in hun eerste meiotische deling tot stilstand gekomen. Daarna blijven zij in
diepe winterslaap totdat enkele maanden voor de ovulatie de follikel aan aantal
veranderingen ondergaat. Na de LH piek maar voor de ovulatie vindt een enorme nucleaire
activiteit plaats waaronder hervatting van de eerste meiotische deling en uitstoting van
het eerste poollichaampje met 23 chromosomen. Daarnaast treden ook in het oöplasma
veranderingen op. Vlak onder de membraan van de eicel liggen een groot aantal corticale
granula, die nadat de eerste zaadcel binnen is gekomen, hun inhoud uitstorten in de
perivitelline ruimte- de ruimte onder de schil- als gevolg waarvan de schil rond de eicel
uithardt.
Het hele fertilisatieproces is een zeer ingenieus verlopende cascade, waarbij de
spermatozo, de zona pellucida en het oöplasma van de eicel zelf ieder een cruciale rol
spelen. (Fig1 ) Nadat het zich delende embryo in de baarmoeder aankomt moet deze schil
echter weer 'oplossen' om innesteling mogelijk te maken.
De spermatozo: acrosoom en acrosine
De spermatozo bevat een voortbewegingsmechanisme, een herkennings- en bindingsmechanisme
en de inhoud, de 23 chromosomen. Rond de kop van de zaadcel dient zich een kap
te bevinden, waaronder zich een blaas bevindt gevuld met acrosomale enzymen, waaronder
acrosine. De ring waar de kap ophoudt wordt het equatoriale
segment genoemd. De spermatozo dient op het moment van contact met de zona de
zgn.
acrosoomreactie te ondergaan: de buitenste acrosoommembraan wordt
poreus, en
het acrosine komt vrij aan de oppervlak te liggen. Zonder acrosine kan praktisch
gesproken geen bevruchting
plaatsvinden, terwijl de inhoud van de zaadcel toch perfect kan zijn. Naast de
acrosoomreactie is ook de 'hyperactivatie' van de zaadcel van belang: met een
paar laatste krachtige zweepslagen boort deze zich door de schil heen, om daarna
nooit meer te bewegen.

Fig 1: Het proces van Fertilisatie. ( Tekening gemodificeerd naar Paul M. Wassarman,
Scientific American 1988, 144: 78- 83)
De zona pellucida
De eischil- de 14 m dikke laag rondom de eicel- is een zeer
belangrijke structuur. De zona hoort per definitie ondoordringbaar voor alle spermatozoën
te zijn, behalve voor de eerste die de membraan van de eicel penetreert en in het oölemma
binnentreedt. Maar ook na de bevruchting speelt de zona een cruciale rol. Zonder een
eischil zou u nooit hebben kunnen bestaan: embryo's die na de bevruchting van hun zona
worden ontdaan in of vóór het 4-cellig stadium worden gefagocyteerd. Pas vele
celdelingen later kan het embryo hatchen (uit de schil kruipen) en zich
innestelen. Het moment van hatching valt nadat het embryonaal genoom tot expressie gekomen
is, het 4 tot 8 cellig stadium. Een aantal biologen waaronder Prof Zeilmaker zijn van
mening dat het proces van hatching een artificieel gebeuren is: het zou alleen optreden
wanneer een embryo in vitro wordt gekweekt en er geen (mechanische en chemische) invloed
is vanuit de tuba en uterus zelf. Hun hypothese is dat de zona is opgelost tegen de tijd
dat het embryo het cavum uteri heeft bereikt. Met name de samenstelling van de uteriene
inhoud zou hierbij een rol spelen.
Sperma-zonaherkenning.
De binding van spermatozo met zona verloopt als een ingewikkeld
antigeen-antilichaamproces: een bindingsproces via een receptor op het oppervlak van de
zona, op een glycoproteïne, ZP3 genaamd. 200 kDa). De bindingselementen zijn een subset
van de suikerketens op het ZP3, O-gebonden oligosaccharides met een molecuulgewicht van 3,9
kDa.

Na binding ploegt de zaadcel zich naar binnen, mede als gevolg van een
tijdelijk moment van hyperactivatie met nog enkele laatste krachtige slagen van de
zweepstaart, en de enzymatische digestie van de zona door het acrosine.
Corticale reactie: uitharding van de zona
Als gevolg van het binnendringen van de zaadcel treedt een proces op waardoor de
schil 'uithardt'. Nadat de zaadcel in de perivitelline ruimte is gekomen bindt deze zich
in het equatoriale segment van de zaadcel met de membraan van de eicel, en penetreert hij
het oölemma. Als gevolg hiervan treedt de corticale reactie op: als een "golf"
storten de corticale granula, die vlak onder de membraan liggen hun inhoud uit in de
perivitelline ruimte. De golf is concentrisch, zoiets als optreedt wanneer men een steen
in stilstaand water gooit.
Chromosomaal en mitochondriaal DNA
Het chromosomaal DNA van de 23 chromosomen wordt gedeponeerd in de oöcyt. Alle andere
structuren van de zaadcel gaan verloren. Daaronder bevinden zich de mitochondriën van
paternale herkomst. Iedere cel heeft ongeveer 16 duizend baseparen mitochondriaal DNA
noodzakelijk voor de oxidatieve verbrandingsprocessen. (Ter vergelijking: er zijn ongeveer
3 miljard baseparen voor het chromosomaal DNA) Er zijn aanwijzingen dat de mitochondria
een soort- door infectie veroorzaakte- micro-organismen
zijn die miljarden jaren geleden de
cel infecteerden, op het moment dat de atmosfeer vrije zuurstof ging bevatten. Nu kunnen
we niet meer zonder. Bijzonder is dat alle genetische informatie nodig voor de vorming van
mitochondria altijd volledig afkomstig is uit de maternale lijn: de inbreng van de man is
nihil. Tot voor kort was (ref). Ook bij ICSI, net als in de
natuurlijke situatie, is na een aantal celdelingen van het embryo geen paternaal
mitochondriaal DNA meer aantoonbaar.
Na spermapenetratie: astervorming, syngamie en expressie van embryonaal genoom.
Nadat de spermaomhulling is geresorbeerd blijft het pakketje met 23 mannelijke chromosomen
over. Dit wordt door de draadvormige uitlopers van de aster die gevormd is vanuit het
spoellichaampje hiernaar toe getrokken, waarna, ongeveer 18 tot 20 uur na
penetratie, de pro-nucleï zich vormen: een mannelijke en een vrouwelijke
voorkern. Hierna treedt syngamie
op: de versmelting van beide voorkernen. Dit is feitelijk het moment waarop de echte
bevruchting optreedt: het chromosomaal materiaal van man en vrouw versmelten en het genoom
van- in potentie- een geheel nieuw individu ontstaat. Het embryonaal genoom komt echter
nog niet tot expressie: dit geschiedt pas na het 4 tot 8 cellig stadium. Het kan dan ook
voorkomen dat subtiele schade aan het embryonaal genoom zich pas na drie dagen, of later
uit. Bevruchting en celdeling treden wel op, maar het embryo deelt zich niet door tot
blastocyste. Bij IVF treedt na pronucleusvorming vrijwel altijd celdeling op; bij ICSI
deelt echter ongeveer 15 % tot 25 % van alle bevruchte eicellen zich niet door.
Stoornissen in fertilisatie
De penetratie van de zona -kan gestoord zijn-: enerzijds omdat de schil zelf niet
doordringbaar zelfs voor de eerste zaadcel, dan wel omdat het zaad 'te zwak' is (gestoorde
mobiliteit) of onvoldoende acrosine heeft om de eischil te doorboren, anderzijds omdat
teveel zaadcellen de eicel bevruchten. In het eerste geval treedt geen bevruchting op, in
het tweede geval 'teveel bevruchting' (polyspermie).
Triploïdie
Wanneer toch onverhoopt meerdere (bv 2) zaadcellen binnendringen (polyspermie)
kan Triploïdie (of
multiploïdie) optreden. Een embryo heeft dan 69 i.p.v. 46 chromosomen. Dit embryo
kan-
als het zo blijft- echter nooit leiden tot de geboorte van een gezond kind. Polyspermie
treedt bij een aantal diersoorten als regel op: nadat vervolgens meer dan twee pronuclei
zijn gevormd, wordt het surplus weer uitgestoten. Er zijn aanwijzingen dat dit ook bij de
mens kan geschieden: een op de drie in de natuur gevormde multipronucleaire eicellen
herstelt zich tot twee pronuclei. Embryos met 69 chromosomen leiden- als zij zich al
innestelen- vrijwel altijd tot spontane abortus. Als het al een doorgaande zwangerschap
wordt, overlijdt het pasgeboren kind altijd binnen enkele maanden. Omdat triploïde
embryos bij IVF nooit worden teruggeplaatst is niet bekend hoe groot de kans op nidatie is, en hoe het proces verder
verloopt.
Stoornissen in zona resorptie
Er zijn ook aanwijzingen dat het proces van 'oplossen' van de schil in het cavum uteri
gestoord kan zijn. Wij denken dat dit kan komen hetzij omdat de schil zelf te hard is,
hetzij vanwege tekort aan digestieve enzymen op het endometrium oppervlak.
Bewerkingen van de eischil
Er zijn verschillende vormen van het bewerken van de eischil. Dit geschiedt met een
speciaal instrumentarium; bv de ICSI naald is in het Guiness book of records vermeld als
de dunste naald ter wereld. Hiertoe behoren enerzijds de technieken om de bevruchtingskans
te vergroten zoals 'zonadrilling' (het boren van een gat om de passage van de spermatozo
te vergemakkelijken), 'zona cutting' (het maken van een snee in de schil) en de
'micro-injectie' ( a.h.w. inspuiten van de zaadcel) in de ruimte onder de schil (SUZI) of
direct in de eicel zelf (ICSI). Anderzijds behoren hiertoe technieken om de
innestelingskans te vergroten zoals 'assisted hatching' d.m.v. 'zona cutting' of PZD
(partial zona dissection') nadat de eicel is bevrucht en zich deelt.
Zona drilling en zona cutting
Met een speciaal microchirurgisch instrumentarium wordt de eicel vastgehouden (aangezogen)
en met een tweede instrument wordt dan een gat of een snee in de schil gemaakt zonder dat
de eicel zelf hierbij schade oploopt. Dit kan mechanisch b.v. met een micropipet waarmee
een snee wordt gemaakt, of zelfs met laserstralen waarmee de diepte exact kan worden
ingesteld. Tot nog toe echter zijn deze technieken experimenteel en is niet zeker of
hiermee veel winst te behalen is. Een probleem is dat na deze behandeling ook een grotere
kans bestaat op 'teveel' bevruchting: meerdere zaadcellen komen binnen, en bevruchten de
eicel. Deze embryo's kunnen natuurlijk niet worden teruggeplaatst.
Micro-injectie
Bij micro-injectie worden een of enkele zaadcellen geïsoleerd, die vervolgens in de ruimte
onder de schil (SUZI, subzonale injectie) of in de eicel zelf (ICSI) wordt gebracht. SUZI
blijkt niet wezenlijke betere resultaten op te leveren. ICSI heeft echter een doorbraak
betekend voor met name mannen met extreem weinig of weinig beweeglijk zaad.
Assisted Hatching
'Hatching' is 'uit de schil kruipen' van het embryo, dat zich vervolgens kan innestelen.
Normaliter wordt deze schil verzwakt, en lost op door digestieve enzymen die na de
ovulatie door het endometrium geproduceerd worden. Sommige vrouwen hebben dit vermogen
echter niet, bij anderen is de schil 'te hard'.
Assisted hatching is voor
het eerst beschreven door de Nederlander Jaques Cohen, toen hij in het IVF centrum in
Cornell (VS) werkte. Men helpt bij assisted hatching het embryo enigszins door de schil al
iets 'stuk' te maken: men maakt een gat in de schil, meestal chemisch m.b.v. een soort
'oplosmiddel' (zure tyrode oplossing) in de veronderstelling dat er patiënten zijn
waarbij het onvermogen tot innesteling berust op een 'te harde' eischil, waaruit het
embryo niet tevoorschijn kan komen.
Uit de cijfers van Cohen lijkt aannemelijk dat de techniek bij een zeer streng
geselecteerde groep patiënten mogelijk iets betere innestelingskansen zou kunnen geven.
Het grote probleem van het moment is, hoe deze selectie te maken; immers het overgrote
deel van de embryo's die zich niet innestelen zijn chromosomaal of genetisch afwijkend;
innesteling is in dat geval een selectiemechanisme van de natuur, dat wij moeten
respecteren. Er moet echter nog veel onderzoek met name naar selectie en indicaties worden
verricht voordat de techniek als reële behandeling kan worden aangeboden, en
bewijs is er nog steeds niet.
ICSI
Intra Cytoplasmic Sperm Injection (ICSI) is een volledige In Vitro Fertilisatiebehandeling
(IVF) met een extra dimensie: Na tijdrovende voorbewerking en isolatie van eicel en
zaadcel wordt één zaadcel in de eicel zelf geïnjecteerd, dwars door de eischil heen.
Het is een arbeidsintensieve behandeling die ook aparte apparatuur en expertise vereist.
De via follikelpunctie verkregen eicel wordt allereerst gedenudeerd: ontdaan
van de omringende granulosacellen. Dit kan een tijdrovend proces zijn. Vervolgens wordt
het rijpheidstadium beoordeeld. Alleen oöcyten die de tweede meiotische deling hebben
volbracht (M II) kunnen worden gebruikt. Eicellen die nog in een van de stadia van de
eerste meiotische deling zijn, kunnen pas later worden bevrucht. Met een
holding pipet wordt de cel voorzichtig aangezogen zodat men deze vast kan
houden. Er wordt zoveel mogelijk zorg voor gedragen dat de eicel zelf bij de techniek niet
wordt beschadigd en dat de injectie plaats vindt op ruime afstand van het spoellichaampje
waar zich de maternale chromosomen, door de eicel
middels een holding pipet zodanig vast te houden en te injecteren dat het
poollichaampje op 6 of 12 u is geplaatst.
De zaadcellen worden in een inerte visceuze vloeistof PVP (Poly Vinyl Pyrrovidol) gebracht
waardoor hun beweeglijkheid bemoeilijkt wordt. Vervolgens worden de best beweeglijke en
morfologisch best ogende zaadcellen uitgekozen. Deze worden geïmmobiliseerd door a.h.w.
een karateslag tegen de staart vlak onder de kop. Één zaadcel wordt, met de
staart eerst, in een kleinere, zeer scherpe pipet opgezogen. De zaadcel wordt vervolgens
geïnjecteerd. Deze wordt dwars door de zona en door de membraan van de eicel ingebracht.
Hierna wordt de geïnjecteerde eicel in de incubator geplaatst. De volgende dag wordt
beoordeeld of bevruchting is opgetreden door het beoordelen van de pro-nucleï. De andere
processen zijn identiek aan die bij IVF.
Indicaties voor ICSI
In aanmerking voor ICSI komen paren bij wie bevruchting niet of vrijwel niet mogelijk is.
De volgende categorieën kunnen worden onderscheiden:
1 Mannen van wie het zaad te slecht is voor reguliere IVF. Als bij
herhaling na opwerken te weinig zaadcellen overblijven voor IVF werden deze paren afgewezen. In het verleden werd algemeen aangehouden dat IVF uitsluitend werd
uitgevoerd als ten minste één miljoen motiele zaadcellen aanwezig waren. De afgewezen
paren zijn bij uitstek geschikt voor ICSI
2 Paren bij wie bij herhaling geen enkele eicel is bevrucht (Total Fertilisation Failure,
TFF). Naarmate het aantal mislukte bevruchtingen toeneemt neemt de kans dat bevruchting
ook bij daaropvolgende IVF pogingen niet lukt, toe. Ook deze paren bereiken veel betere
resultaten bij ICSI.
De volgende drie indicaties zijn iets meer arbitrair, maar ook bij de volgende indicaties
kan ICSI uitstekende resultaten opleveren:
3 Paren met bij herhaling bevruchting van minder dan 5 % van alle verkregen eicellen. Dit
wil zeggen dat uit ten minste twintig eicellen slechts een embryo verkregen is. Deze paren
kregen in de VUB ook ICSI aangeboden
4 Paren waarvan de man voor IVF marginaal semen heeft, en waarbij geen bevruchting in de
eerste poging optreedt. Vaak is het semen wisselend van kwaliteit, en schommelt het aantal
rond de ondergrens. IVF wordt dan wel eens geprobeerd, maar het paar wordt medegedeeld dat
de kans op bevruchting kleiner dan gemiddeld is.
5 Bij herhaling optredende polyploïdie. op deze wijze wordt immers slechts één zaadcel
geïnjecteerd. Overigens kan polyploïdie ook afkomstig zijn van de oöcyt, zodat met ICSI
niet gegarandeerd kan worden dat slechts twee pro-nucleï ontstaan. In ieder geval kan men
18 20 uur na de procedure het aantal pro-nucleï tellen.
Daarnaast is ICSI ook toegepast bij uitblijven van bevruchting 24 uur na IVF. Er zijn
echter aanwijzingen dat in dit laatste geval de kans op afwijkingen vergroot is, zodat
deze indicatie nog ter discussie staat
Hoe liggen de kansen bij ICSI?
De ervaringen uit het buitenland geven aan dat de kansen bij ICSI zeker niet slechter
hoeven te zijn dan bij IVF. Dit geldt bij hen die vroeger van IVF werden uitgesloten. In
Brussel zijn inmiddels grote series verricht, met goede resultaten. De kansen lijken ook
afhankelijk te zijn van de selectie van de patiënten die voor ICSI in aanmerking komen.
De implantatiecijfers (aantal vruchtzakken op het aantal teruggeplaatste embryos)
zijn ook in de VUB gelijk aan die bij IVF.
Bij reguliere IVF treedt na bevruchting vrijwel altijd celdeling op. De gepubliceerde
gegevens uit Brussel geven het volgende beeld: aangetoond is dat bij ICSI rond de 15 % van
alle geïnjecteerde eicellen toch beschadigd raken; bij ongeveer 50 % van alle intacte
geïnjecteerde eicellen treedt bevruchting op. Daarna valt nog eens opnieuw 25 % van alle
bevruchte eicellen af omdat deze zich niet doordelen. Vervolgens waren de cijfers per
teruggeplaatst embryo gelijk aan die bij IVF: 18 % vruchtzakken (op de echo) en 14 %
doorgaande foetussen (> 12 weken) per 100 teruggeplaatste embryo's (klinisch en
doorgaand implantation rate). Hierbij gelden echter twee kenmerken: Ten eerste is de groep
vrouwen bij wie deze embryo's worden teruggeplaatst een relatief 'schone', d.w.z. gunstige
groep.
Ten tweede moet men de cijfers ook per verkregen eicel en niet alleen per teruggeplaatst
embryo zien. Het is niet zeker of de bij ICSI 'beschadigde' eicellen toch al niet
voorbestemd waren, en van zichzelf minder kans op innesteling hebben. Een theoretisch
risico is de beschadiging van het spoellichaampje waardoor chromosoomschade zou kunnen
ontstaan. Tot nog toe zijn er geen aanwijzingen voor een dergelijk effect: mogelijk is dat
de natuurlijke selectiemechanismen voor en bij de innesteling blijven functioneren,
waadoor een dergelijk embryo zich niet innestelt. Uit de serie vruchtwaterpuncties en
vlokkentesten van de VUB blijkt dat het totale percentage chromosoomafwijkingen in
dezelfde orde van grootte ligt als in de natuurlijke situatie en bij IVF. Het blijkt dat
i.e.g. een deel van de natuurlijke selectiemechanisme bij de innesteling normaal blijven
functioneren.
Omzeiling van natuurlijke selectiemechanismen
Het is zeker waar dat een van de natuurlijke selectiemechanismen met ICSI worden omzeild.
In de natuur bereiken uit de vele miljoenen spermatozoën slechts enkele tientallen tot
honderden het fimbriële uiteinde van de tuba, waar de bevruchting plaatsvindt. Alleen een
van de beste penetreert vervolgens de eicel. Er zijn echter overtuigende aanwijzingen dat
de hierop volgende selectiemechanismen blijven functioneren, en uitsluiten dat
insufficiënte embryos tot nageslacht komen. Met name celdeling en vervolgens
nidatie: het overgrote deel van alle embryos, ook in de natuur, nestelt zich niet
in.
Welke risico's heeft ICSI?
Na de eerste juichstemming in de lekenpers was het te verwachten dat een aantal
kritische
geluiden zou worden gehoord. Uiteraard heeft de VUB hier tevoren rekening mee gehouden:
Alle paren werden verplicht voor de behandeling een chromosoom onderzoek van beide
partners te laten verrichten, en zij moesten er zelfs voor tekenen een vlokkentest of
amniocentese te ondergaan. Al snel hadden zij op deze wijze een groot aantal gegevens, die
geruststellend waren. Hierna is echter, met name in Nederland, enige beroering ontstaan
over een brief in de Lancet van In t Veld van de groep van Galjaard, die bij 33 %
van de kinderen een geslachtschromosomale afwijking vond. Hij had bij amniocentese bij 5
patiënten een geslachtschromosoom te veel of te weinig gevonden uit een groep van 15
patiënten waarvan men had kunnen vaststellen dat zij ICSI hadden ondergaan. Deze brief,
die bedoeld was om de noodzaak tot onderzoek te onderstrepen, heeft via berichten in de
lekenpers geleid tot kamervragen over de toelaatbaarheid van invoering van dit soort
nieuwe technieken.
Keirse enquêteerde een groot aantal centra in de wereld over ICSI behandelingen in 1993
en 1994, en kreeg een respons van ongeveer 40 %. Bij 1540 na ICSI geboren kinderen werden
18 chromosomale afwijkingen gevonden (1,2 %) , waarvan 8 geslachtschromosomaal ( 0,5 %) en
10 autosomaal (0,7 %). Er werden 29 major abnormalities gevonden (1,9 %)
Ook de European Society of Human Reproduction and Embryology (ESHRE) heeft een task force
opgericht om het aantal afwijkingen te registreren. Tussen 1993 en 1995 werd gerapporteerd
over 2486 kinderen. Hiervan hadden 47 een major abnormality (1,9 %) . Op beide
studies kan kritiek worden gegeven: ze zijn retrospectief, ze zijn afhankelijk van de
definities van een major abnormality en van de nauwkeurigheid waarmee in de
verschillende centra de kinderen zijn onderzocht. Centra met hogere percentages
afwijkingen zouden in de verleiding kunnen komen af te zien van rapportage uit angst voor
vergelijking. Het is dus zeer wel mogelijk dat deze cijfers een te geflatteerd beeld
geven.
Het eerste centrum, de VUB heeft vanaf het allereerste begin een zorgvuldig en prospectief
onderzoek opgezet . Met name omdat er geen dierexperimenten aan de introductie van
ICSI zijn voorafgegaan (hierover later meer). Tussen 1992 en oktober 1996 werd bij 838
vrouwen prenatale diagnostiek verricht. De bevindingen waren als volgt:
| |
aantal |
% |
| Nieuw ontstane chromosomale afwijkingen |
14 |
1,6 % |
| autosomaal |
6 |
0,7 % |
| trisomie |
3 |
0,35 % |
| gebalanceerde translocatie |
3 |
0,35 % |
| Geslachtschromosomaal |
8 |
0,9 % |
| Overerfde chromosomale afwijkingen |
7 |
0,8 % |
| TOTAAL |
21 |
2,5 % |
Van de 2840 geboren kinderen na ICSI uit de VUB bleken er 96 een major
abnormality te hebben omschreven als een ernstige afwijking die behandeling behoeft
(3,4 %), in vergelijking met 112 op 2955 IVF kinderen in een gematchte
controlegroep (3.8%). Dit komt overeen met de cijfers van ongeveer 3- 5 % na natuurlijke bevruchting.
In een normale fertiele populatie werden de volgende bevindingen gedaan:
| Autosomaal |
per 1000 |
|
trisomie 21 |
1,5 |
|
trisomie 18 |
0,12 |
|
trisomie 13 |
0,07 |
| Geslachtschromosomaal |
|
| 47 XXY
(syndroom van Klinefelter) |
2,0 |
| 45 XO
(Syndroom van Turner) |
0,4 |
| 47 XYY |
1,5 |
| 47 XXX |
0,65 |
| Totaal geslachtschromosomaal |
4,5 |
In de laatste rapportage van de VUB kwam het syndroom van Klinefelter in 0,9 %
voor, en alle geslachtschromosomale afwijkingen samen in 1,2 %. Bij ICSI lijken dus de
geslachtschromosomale afwijkingen 2 tot 3 maal vaker voor te komen dan bij een normale
fertiele populatie.
Inmiddels is ook In t Veld een prospectieve studie begonnen. Deze is gepubliceerd,
waarbij de reeds eerder gevonden afwijkingen (5 op 15) werden bijgeteld. Van de 56
volgende patiënten werd een maal een 45 XO/ 46 XY mozaïek gevonden, en drie maal een
trisomie 21. Dit laatste voornamelijk bij oudere vrouwen die ook al een leeftijdsrisico
hadden. Alle geslachtschromosomale afwijkingen bleken van paternale oorsprong, alle
trisomiën van maternale. De ICSI techniek zelf als zodanig is dus niet zozeer
aansprakelijk voor de afwijkingen, maar het soort patiënten dat voor de techniek in
aanmerking komt.
De ICSI Vaders
De ouders werden chromosomaal gescreend. Hierbij bleek in de VUB bij 3 % van de mannen
sprake van translocaties of inversies, die geen gevolgen voor hun gezondheid hadden, maar
mogelijk wel voor hun vruchtbaarheid. Dit percentage is wel duidelijk hoger dan van een
vergelijkbare groep vruchtbare mannen.
Op geslachtschromosomaal niveau kunnen diverse afwijkingen optreden: falen tot paring van
X en Y chromosoom, een ringvormig y chromosoom met hetzelfde gevolg en vele andere.
Daarnaast zijn een aantal microdeleties o.a. op het Y chromosoom bekend, die kunnen leiden
tot onvruchtbaarheid. De genetische familie verantwoordelijk voor de spermatogenese
bestaat uit ten minste 40 leden. De meeste bekende afwijkingen zijn gelokaliseerd op een
van de AZF genen. Voor twee van de veertig genen is in een grote groep mannen met slecht
zaad onderzocht of zij een afwijking hadden. 8 % van alle mannen met minder dan 5 miljoen
zaadcellen hebben een afwijking op een van deze twee locaties . Men vermoedt dan ook dat
ten minste 25 % zo niet 50 % van alle mannen in deze categorie een genetische oorzaak
hebben, die zij weer aan hun zonen doorgeven.
Het is uiteraard nog onbekend hoe de kinderen zich op lange termijn gaan ontwikkelen. Dit
zelfde gold natuurlijk tien jaar geleden ook voor IVF, en dezelfde zorgen werden toen
geuit. En vanzelfsprekend weten wij nog niets over de vruchtbaarheid van IVF kinderen laat
staan van ICSI kinderen. In ieder geval dienen de paren zich bewust te zijn van een iets
verhoogde kans op een geslachtschromosomale afwijking, en een zeer reële kans dat hun
eventuele zoon ook onvruchtbaar zal blijken. Recent (juli 1999) heeft David Page
aangetoond dat vier zonen die waren geboren na ICSI waarbij de vaders een genetische
afwijking hadden op het Y chromosoom (AZF gendeletie), zelf ook dezelfde afwijking hadden.
Men mag dus verwachten dat zij later met hetzelfde probleem kunnen worden geconfronteerd
als hun vaders.
MESA, TESE en ICSI
Omdat bij ICSI slechts één zaadcel per eicel nodig is, en dan nog niet eens een rijpe,
kan het zaad ook verkregen worden uit de epididymis (MESA, microchirurgische epididymis aspiratie) of testis (TESE, Testiculaire semen extractie) bij afsluiting van de
zaadleider. Er blijkt geen verband te zijn tussen het uiterlijk van de zaadcel (afwijkende
vormen) en de inhoud; het enige van belang is dat de zaadcel 23 chromosomen heeft, en dus
moet het aantal chromosomen zich hebben gehalveerd. Afsluiting van de zaadleider kan
aangeboren of verworven zijn, bv door ontsteking of sterilisatie.
De congenitale bilaterale afwezigheid van de vas deferens (CBAVD) is een genetisch defect
dat is geassocieerd met mucoviscoidose (cystic fibrosis). Beide genetische afwijkingen
liggen zo dicht bij elkaar, dat zij vaak samengaan. Omdat de vrouw de normale
populatiekans op dragerschap van 1: 30 heeft, heeft het kind dus een forse kans op CF. Met
de gebruikelijke screening kan ongeveer 85 % van de draagsters worden opgespoord.
Het gebruik van epididymaal of testiculair zaad kent eigen onzekerheden. In hoeverre
dienen rijpingsprocessen te zijn voltooid voordat een zaadcel verantwoord kan worden
gebruikt? Een spermatocyt is diploïd, maar goed herkenbaar. Een spermatide is haploïd,
maar nog volstrekt niet uitgerijpt. Er zijn vermoedens dat het proces van genomic
imprinting, pas voltooid is aan het eind van de epididymis. Genomic imprinting is
het proces waarbij bepaald wordt welke eigenschappen bij het nageslacht tot uiting dienen
te komen, en welke niet. Het vindt plaats via selectieve demethylatie.
Daarnaast is gesuggereerd dat de spermatozo schade zou kunnen oplopen door de vrije O2
radicalen, maar dat geldt uiteraard evenzeer voor geëjaculeerd zaad met leucospermie. In
dat opzicht is vers zaad uit de testis bij een man met een verworven obstructie misschien
zelfs te verkiezen boven semen na ejaculatie bij een man met chronische prostatitis, of
zeer slecht semen bij ernstige oligoasthenoteratospermie.
In het Verenigd Koninkrijk bestaat een moratorium op ICSI met het gebruik van spermatiden;
in Nederland en Japan is een moratorium uitgeroepen op ICSI in combinatie met MESA of TESE
totdat er meer bekend is middels dierproeven en er meer kinderen in het buitenland zijn
geboren. Dit laatste wordt door ons omgevende landen als hypocriet ervaren: zij mogen
de kastanjes uit het vuur halen. Als het goed gaat plukt Nederland daarvan de
vruchten, als er een calamiteit optreedt zegt Nederland: zie je wel, wij zeiden het al.
In de ESHRE task force (1993 1995) werden op 2486 ICSI kinderen van de ICSI/ MESA 119
geboren, zonder major abnormalities, en 3 op 63 ICSI/TESE (totaal 3/182 (1,6 %)4.
Recent heeft Maryse Bonduelle de bevindingen uit de VUB beschreven :
| ICSI met |
MESA |
TESE |
CRYO |
TOTAAL |
| prenatale diagnostiek |
23 |
17 |
36 |
76 |
chromosoomafwijkingen |
0 |
0 |
2 |
2 |
| Geboren kinderen |
69 |
71 |
43 |
183 |
aangeboren afwijkingen |
3 |
2 |
1 |
6 |
aanvulling (aug 1998): Anno 1998 zijn
er inmiddels bijna 2000 kinderen geboren na ICSI met MESA of TESE. Als zodanig
onderscheidt zich deze techniek- in termen van wat erover bekend is- in niets meer van
ICSI op het moment dat deze in Nederland werd ingevoerd: Voor beide waren en zijn er nog
steeds geen goede dierexperimentele gegevens en is het aantal kinderen van dien aard dat
het door de GHI veronderstelde minimum van 200 reeds ruimschoots is overschreden. Men kan
zich daarmee afvragen wat nu nog de onderbouwing kan zijn van een moratorium voor ICSI in
combinatie met MESA en TESE.
Wel of geen vruchtwaterpunctie of vlokkentest?
Er is nog geen overeenstemming of een choriocentese of amniocentese wel of niet
geïndiceerd is. Wel heeft de patiënt het recht dit onderzoek te laten verrichten, als
zij wil nagaan of het kind chromosomaal normaal is, maar niet alle verzekeraars vergoeden
dit onderzoek. Bovendien plaatst dit het paar, dat vaak na een infertiliteitsduur van vele
jaren hun kinderwens vervuld lijkt te gaan zien voor een groot moreel, ethisch en
gevoelsmatig dilemma als bv bij dit onderzoek sprake blijkt van het syndroom van
Klinefelter, dat goed met het leven verenigbaar is, maar in ieder geval wel leidt tot
absolute steriliteit. Moet zij deze zwangerschap dan vervolgens weer laten afbreken? Wel
dienen alle patiënten op deze mogelijkheden tevoren te worden gewezen, en dienen zij te
worden ingelicht over alle ons bekende aspecten, ook dienen zij gewezen te worden op het
feit dat nog veel onbekend is.
Voorzorgen voor de toekomst.
Alle gegevens tot nog zijn zodanig hoopgevend, dat wij het verantwoord vinden de
behandeling aan te bieden. Toch vinden wij dat er nog zoveel onbekend is dat de verkregen
gegevens zorgvuldig moeten worden gedocumenteerd en vervolgd. De patiënt dient dan ook
een 'informed consent' te tekenen, en de gegevens betreffende hun kind(eren) dienen
uiteraard anoniem te worden geregistreerd en vervolgd. Wij denken dat het belang van ICSI
zodanig is dat zij zich zeker hiermee akkoord zal kunnen verklaren.
Dierproeven
Een van de kritieken op de snelle invoering van ICSI was dat er geen dierexperimenteel
onderzoek aan vooraf is gegaan. Hierbij zijn twee vragen van belang: in hoeverre is
dierexperimenteel onderzoek mogelijk, en ten tweede wat is de predictieve waarde van het
diermodel voor de mens. Op het moment van invoering was er geen dierexperimenteel model
voorhanden. Later werd door Yanagimachi beschreven dat ICSI bij de muis mogelijk was. Dit
ondanks het feit dat de muizespermatozo ongeveer maar liefst de helft van de diameter
heeft van de eicel, tegenover ongeveer eentwintigste bij de mens. Dit succes is echter
door geen enkel ander centrum bevestigd. De afgelopen drie jaar wordt o.a. aan de VUB
geprobeerd het muizemodel op te zetten, doch zonder succes.
Het is bij de muis mogelijk een of meerdere genen uit te schakelen waardoor
een of meerdere afwijkingen ontstaan de z.g.n. knock out genes. Op deze
wijze kan men azoöspermie bij muizen creëeren. Een wezenlijke vraag is in hoeverre het
muizemodel, ook dat met behulp van de knock out muis predictief is voor de
ICSI met MESA of TESE bij de mens. Zowel in geval dat geen afwijkingen gevonden worden als
in geval wel afwijkingen worden gevonden kan het zijn is de predictieve waarde voor de
mens beperkt.
Medical technology Assessment (MTA)
Het ministerie van VWS is van mening dat geen nieuwe medische technieken zouden mogen
worden ingevoerd zonder dat een MTA is verricht. Hierin dient een complex van factoren te
worden onderzocht, maar velen hebben de wat simplistische vrije vertaling of de indruk dat
het gaat om:"wat kost het". De overheid is van mening dat de kosten van de
gezondheidszorg niet dienen te stijgen boven die van de afgelopen jaren. Hooguit is een
zeer geringe groei toegestaan. Op zich is dit een loffelijk standpunt. Als dit echter
letterlijk wordt opgevolgd, dient men pas op de plaats' te maken, en in het geheel
geen nieuwe technieken meer in te voeren. Invoering via een MTA kan uiteraard alleen in
geval dat de financiële middelen daarvoor ter beschikking worden gesteld. In geval van
ICSI waren alle 12 centra het met het ministerie unaniem eens over de uitvoering van een
MTA. Hierna bleek echter de aanvraag bij het project ontwikkelingsgeneeskunde van de
ziekenfondsraad niet te worden gehonoreerd, met als argumentatie dat een dergelijk
onderzoek niet kan passen binnen de maximale looptijd van een onderzoek aldaar, te weten
drie jaar. Uiteraard is deze tijdsspanne te kort waar het gaat om follow up gedurende twee
jaar van ICSI kinderen en een zwangerschapsduur van negen maanden. Hiermee werd de
mogelijkheid voor het verrichten van een MTA de-facto afgesloten. Hadden de centra op dat
moment, waarop uit de buitenlandse literatuur een overweldigende hoeveelheid gegevens ter
beschikking kwamen, de Nederlandse patiënten de behandeling niet mogen aanbieden? Met als
gevolg een patiëntenstroom naar over onze landsgrenzen.
Mijns inziens dient de vraag of het op grond van buitenlandse literatuur
verantwoord is een nieuwe behandeling aan te bieden, los gezien te worden van de vraag of
die nieuwe behandeling dient te worden bekostigd uit de algemene middelen. Een ander
spanningsveld is dat wanneer het macrobudget gelijk dient te blijven, dit inhoudt dat de
vergoeding voor andere behandelingen dient te worden verlaagd. In feite wordt de
beroepsgroep hiermee tegen zichzelf gekeerd. Dit is op termijn een heilloze ontwikkeling,
en kan vergaande repercussies hebben voor het functioneren van de gezondheidszorg als
geheel.
Conclusie
Medisch gezien is ICSI de grootste doorbraak op het gebied van fertiliteitsbehandelingen
sinds de IVF, en kan de behandeling worden aangeboden aan hen die vroeger moesten afzien
van genetisch eigen kinderen. Wees eerlijk: zou u niet de voorkeur geven aan een kind
waarin U eigenschappen van uzelf herkent? Een van de bedenkingen van sceptici is dat men
op deze wijze bepaalde afwijkingen laat 'doorgeven' naar volgende generaties. Toch doen
wij dat bij diverse andere ziekten zoals diabetes mellitus al vele jaren, en ook voor
diabetici wordt het recht op hulp bij voortplanting erkend.
Ref:
Bonduelle
M, Liebaers I, Deketelaere V, Derde MP, Camus M, Devroey P, Van Steirteghem A.
Neonatal data on a cohort of 2889 infants born after
ICSI (1991-1999) and of 2995 infants born after IVF (1983-1999). Hum Reprod.
2002; 17: 671- 94
Bonduelle
M, Van Assche E, Joris H, Keymolen K, Devroey P, Van Steirteghem A, Liebaers I.
Prenatal testing in ICSI pregnancies: incidence of
chromosomal anomalies in 1586 karyotypes and relation to sperm parameters. Hum
Reprod. 2002;17: 2600- 14
C.A.M. Jansen Voorburg,
24-02- 1997, update 23 06- 2003 |